Geopolitieke kanttekeningen bij de aanslagen van 11 september 2001

woensdag 23 november 2005 17:30 | Fred_Emmer | 3125 keer bekeken | 0 reacties | 0 x aanbevolen

De succesvolle terroristische aanslagen op de gebouwen van het Wereldhandelscentrum in New York en op het ministerie van Defensie van de Ver-enigde Staten in Washington zonden een schokgolf door de harten en hoofden van alle Amerikanen, bijna alle Europeanen en een groot deel van de bevolking van de overige werelddelen.

Er werd in Amerika een kracht wakker geroepen, die tot dat moment onder de oppervlakte van land en volk had geslapen en waarschijnlijk pas in de gebeurtenissen van de nabije toekomst een herkenbare vorm zal aannemen. Een oprechte woede kolkte op uit het Amerikaanse volk en steeg omhoog naar de beleidsmakers, waar hij verstilde in de koelbloedige planning en vormgeving van buitenlands belangenbeleid op het geopolitieke schaakbord van de wereldpolitiek. Zo brachten de politieke leiders van de VS na de aanslagen twee standpunten naar buiten, die de gewekte reuzenkrachten hun eerste herkenbare contouren gaven.

Staatshoofd George Bush verklaarde daags na de aanslag dat de aanslagen gericht waren geweest tegen de grondslagen van Amerika en de democratie in het algemeen. Dit standpunt is echter strijdig met de beschuldiging, dat Osama Bin Laden en zijn organisatie Al Qaida de aanslagen hadden gepleegd. Bin Laden neemt namelijk geen aanstoot aan het binnenlandse politieke stelsel van Amerika, maar aan twee onderdelen van zijn buitenlandse beleid, namelijk de aanwezigheid van Amerikaanse militaire bases in het heilige land der moslims, Saoedi-Arabië, en de structurele steun aan de staat Israel. (1) Hoe twijfelachtig het waarheidsgehalte van het Amerikaanse standpunt ook was, het vormde de basis voor de schier onvoorwaardelijke steun van westerse landen als Groot-Brittanië, Frankrijk, Duitsland en zelfs Spanje aan het agressieve Amerikaanse buitenlandse beleid. De Europese landen delen immers met Amerika hetzelfde maatschappelijk-politieke stelsel, de democratie.

Dit standpunt heeft niet geleid tot een bezinning van Amerika op zijn grondslagen. In zo’n bezinning zou een vruchtbare spanning te vinden zijn tussen het egalitaire geloof in het “all men are born equal” en de dagelijks door politici gesuggereerde overtuiging dat Amerika het beste en meest begunstigde land ter wereld is, met een voortrekkersrol in de verspreiding en institutionalisering van bepaalde uit het Angelsaksische volkswezen stammende universele waarden. Ontleent Amerika zijn superioriteit aan een universeel gelijkheidsbeginsel?

Als vrijheid en de “pursuit of happiness” als grondrechten de maatschappij dragen, gelijk Amsterdam op palen is gebouwd, kan men die dan offeren aan veiligheid en landsbelang, zonder zijn grondslagen nog meer te schaden dan de terroristische aanslagen deden? Waar toont zich de Amerikaanse broederschap? Dergelijke vragen worden niet gesteld. De nieuwe Amerikaanse dynamiek is ontketend, maar wordt niet meer aan zijn grondslagen getoetst.


Pearl Harbor, 7 december 1941: de vergelijking ligt voor de hand. Het
verschijnen van de film in voorjaar 2001 is des te opmerkelijker.

Het tweede standpunt dat door president Bush, minister van Buitenlandse zaken Colin Powell en anderen werd geponeerd, was de staat van oorlog. Bush verklaarde dat de VS waren aangevallen en in oorlog verkeerden. Powell sprak van de noodzaak van een langdurig conflict op meerdere fronten. Oorlog is echter een gewapend conflict tussen twee of meer staten. Hoe tragisch en schokkend de aanslagen op het WTC en het Pentagon ook waren, het bleven terroristische aanslagen en geen oorlogsdaden. Niettemin vormt dit oorlogsstandpunt de rechtvaardiging voor de inzet van alle militaire middelen, nationale hulpbronnen en toekomstige machtsmiddelen. De Amerikaanse ‘oorlogsverklaring’ werd door de Britse en Nederlandse premiers overgenomen, zonder dat zij hun volksvertegenwoordigingen geraadpleegd hadden.

Polarisatie

In de dagen na de aanslag stroomden Amerikaanse diplomaten uit over de wereld met een boodschap van “voor- of tegen ons en de strijd tegen het terrorisme” en smeedden in recordtijd een keten van diplomatieke, politieke en militaire steunpunten in onder andere Pakistan en de Russische satellietstaten Oezbekistan en Tadzjikistan. President Bush sprak van een “kruistocht” tegen het terrorisme, het fundamentalistische islamitische regime van Afghanistan antwoordde met een oproep tot een heilige oorlog (Jihad) tegen de kruisvaarders, er ontstond onrust in Pakistan tussen radicale en gematigde moslims en in het grootste moslimland ter wereld, Indonesië, werden werknemers van Amerikaanse bedrijven dermate bedreigd dat zij besloten hun familieleden alvast naar huis te sturen. Zo tekende zich dwars door de binnenlandse politiek van de islamitische landen en de internationale verhoudingen heen een polarisatie af. (2) Deze geforceerde polarisatie lijkt op een nieuwe koude oorlog tussen ‘de beschaafde landen’, dwz het westen onder Angelsaksische leiding met Japan en Rusland enerzijds en de ‘landen die terrorisme steunen’ anderzijds, dwz Afghanistan en andere landen, zoals Irak, die eventueel later nog door ongeverifieerd en door de nationale parlementen niet ingezien ‘bewijsmateriaal’ van westerse inlichtingendiensten bij de aanslagen geïmpliceerd kunnen worden.

De uitschakeling van Massoud: de dood van het oude Afghanistan

In dit licht krijgt de dood van Ahmed Shah “Massoud” (‘De Mazzelaar’) een merkwaardige geopolitieke betekenis. Op de dag van de aanslag, 11 september 2001, werd zijn dood in de westerse media bevestigd, naar verluidt door een zelfmoordaanslag twee dagen eerder van een journalist, die zichzelf met Massoud erbij doodde door een in zijn riem verstopte bom tot ontploffing te brengen. Waarom de sluwe vos Massoud zich zo simpel liet verrassen, blijft vooralsnog onopgelost.


Massoud

Massoud was bij leven een legendarische vrijheidsstrijder die 10 jaar tegen de sovjetbezetting van Afghanistan vocht, als minister van Defensie deelnam aan een kortstondige regering en vervolgens de wapens opnam tegen de Taliban. In een brief aan de Amerikaanse senaat van 8 oktober 1998 liet hij doorschemeren ontgoocheld te zijn dat het zwaartepunt van de Amerikaanse militaire en financiële hulp na de terugtrekking van de sovjetstrijdkrachten was verlegd van zijn mudjahedeen naar de groepering die nu als Taliban bekend staat en Afghanistan bestuurt. Tijdens zijn verblijf in Europa, op uitnodiging van o.a. het Europees parlement, had hij zijn visie op het bestuur en de inrichting van zijn land gegeven, zoals hij die zou nastreven indien zijn beweging, de Noordelijke Alliantie, de Taliban zou verdrijven en de macht zou winnen: na de installatie van een voorlopige regering voorzag hij een staatsinrichting, waarin de tribale en etnische realiteit van Afghanistan tot uitdrukking zou komen. De laatste jaren had hij, op zoek naar werkbare voorbeelden voor zo’n samenleving, belangstelling opgevat voor het Zwitserse model en was tot de overtuiging gekomen dat Zwitserland en Afghanistan met vergelijkbare politieke, taalkundige en etnische bijzonderheden en moeilijkheden kampten. Invoering van het Zwitsers model in Afghanistan kwam door Massoud binnen de horizon te liggen. (3)

Massoud profileerde zich weliswaar als lid van een Tadzjiekse stam, maar ook als Afghaan, dit in tegenstelling tot de Taliban, die gedragen werden door Arabische en Pakistaanse religieuze huurlingen. (4) Hervatte eenduidige Amerikaanse steun aan Massoud en de zijnen had de facto kunnen leiden tot een herstel van een onafhankelijk Afghanistan. Massoud stond, zijn tekortkomingen ten spijt, in de traditie van een trotse en voor grootmachten tergende Afghaanse onafhankelijkheid en was de enige overgebleven verzetsstrijder, die het prestige en het charisma had om, aan het hoofd van de Noordelijke Alliantie, voldoende steun in de overige landsdelen te winnen om de Taliban ten val te brengen en de Afghaanse mudjahedeen weer aan de macht te brengen. Zonder zijn leiderschap valt de Noordelijke Alliantie terug tot een regionale verzetsbeweging, die zijn etnisch-tribale basis vooral in de noordelijke provincies van het land heeft en moeilijk aanvaardbaar is voor de overige landsdelen. (5)

De ongemakkelijke spanning tussen de Noordelijke Alliantie en de Pathanen-Taliban-beweging, heeft de geopolitieke uitwerking, dat er een destabiliserende werking van uitgaat over het land en zijn buurlanden, die nog voor lange tijd allerlei ingangen voor conflictbemiddeling en ander ingrijpen van de ‘internationale gemeenschap’ schept.

Toen strijders van de Noordelijke Alliantie op 13 november Kabul binnentrokken, werd het portret van Massoud meegedragen. Het is te hopen dat niet alleen de herinnering aan hem levend wordt gehouden, maar ook zijn idealen.


13 november 2001: intocht in Kaboel

China

Tot slot dient te worden opgemerkt, dat wat ook de uitkomst van de Amerikaans-Afghaanse oorlog moge zijn, de geopolitieke terreinwinst die eruit voortvloeit tenietgedaan zou worden, indien de positie van de enige serieuze geopolitieke tegenspeler van de Verenigde Staten op lange termijn, China, daardoor versterkt zou worden. Nader beschouwd blijkt de oorlog tegen Afghanistan in diepere zin ook tegen China gericht te zijn. In geopolitieke zin, hoewel moreel verwerpelijk, is duurzame militaire aanwezigheid in Pakistan al ruimschoots de 5.000 mensenlevens van het WTC en het Pentagon waard, mits de grip op India gehandhaafd blijft.

Dit zou namelijk bijdragen tot de ‘Einkreisung’, dwz de geopolitieke omsingeling van China via Japan, India en Pakistan. (6) De steun van Rusland zou dan gekocht moeten worden door het te compenseren met expansiemogelijkheden elders. De toestemming van Rusland voor het gebruik van militaire faciliteiten in de satellietstaten Oezbekistan en Tadzjikistan heeft zeker zijn prijs gehad, al is die nog niet zichtbaar. Uiteindelijk zullen de grenzen van het Angelsaksische globalisme (VN, NAVO, IMF, Wereldbank, Internationale Tribunalen, WTO, etc.) worden aangegeven door de veerkracht van China en de mate waarin het zich daartegen teweer zal stellen.

Opmerkelijk is echter dat deze zomer bekend werd gemaakt dat China, na 30 jaar onderhandelen, toegelaten zal worden tot de WTO. Bovendien kreeg Peking ook nog eens de Olympische Spelen van 2008 toegewezen. (7) Op termijn zal China echter met dergelijke concessies geen genoegen meer nemen en haar status als supermacht van Azië opeisen. Het huidige, door velen omarmde, streven naar een Nieuwe Wereldorde zal hoe dan ook tot het uiterste beproefd worden in het Amerikaans-Chinese conflict. Het is niet te hopen dat Europa zich daarin, net als nu, wezenloos zal laten meesleuren.

Noten

(1) Israel geniet met een handvol miljoen inwoners extreem veel buitenlandse steun van de VS . Datzelfde geldt ook voor Egypte, volgens sommigen om het te bewegen tot een verzoeningsgezinde houding jegens Israel. Deze zwaar op de Amerikaanse begroting drukkende hulp wordt nooit ter discussie gesteld door Amerikaanse politici. Het structurele karakter van dit onderdeel van het Amerikaanse buitenlandse beleid wordt in feite niet periodiek ter goedkeuring aan de volksvertegenwoordiging voorgelegd, maar maakt deel uit van een boven-democratische continuïteit.
(2) Een compromis-voorstel van de Afghaanse regering om Bin laden op te sporen en uit te leveren onder voorwaarde dat daarom formeel door de Conferentie van Islamitische landen verzocht zou worden en er zich tenminste één islamitische magistraat onder zijn rechters zouden bevinden, werd onmiddelijk afgewezen. De volgende morgen maakte Bush een ultimatum aan de Afghaanse regering bekend, waarin de eis tot uitlevering van Bin Laden en de leden van zijn organisatie was uitgebreid met de eis tot vrijlating van alle buitenlandse journalisten en hulpverleners die volgens de VS “onterecht” in Afghanistan gevangen zaten, ontmanteling van alle overige terroristische bases in het land en toelating van westerse waarnemers om erop toe te zien dat deze bases niet werden heropend of verplaatst. Dit laatste punt vormde een inbreuk op de souvereiniteit van Afghanistan, die noch door de Taliban, noch door enige andere regering zou kunnen worden aanvaard. Met dit ultimatum werd dus voorkomen dat aan de vooravond van de bombardementen een compromis zou kunnen worden gesloten. Geopolitiek gezien is dit vergelijkbaar met de bepaling in het ‘vredesvoorstel’ van Rambouillet, volgens welke de NAVO onbeperkt toegang moest krijgen tot de Servische infrastructuur, zoals spoorlijnen, havens en dergelijke. Dit punt zou voor elke door het Servische volk gesteunde regering onaanvaardbaar geweest zijn, en stelde derhalve NAVO-aanvallen op Servië veilig.
(3) Journalist van Le Point: “Ik heb vernomen dat uw voorkeur uitgaat, voor Afghanistan, naar de vestiging van een politiek systeem, vergelijkbaar met dat van Zwitserland. In hoeverre is dat juist?” Massoud: “Dat hangt af van het toekomstige parlement, de toekomstige grondwet en de stem van het volk. Wat mij betreft, ik wil graag het Zwitserse systeem bestuderen om beter te kunnen begrijpen, hoe dit meertalige volk zijn problemen heeft opgelost en hoe zij hun regering gevormd hebben.” (interview in Le Point, 26 oktober 2001, afgenomen enkele dagen voor de dood van Massoud)
(4) Massoud schatte het aantal Pakistaanse Taliban, dat met het Afghaanse regime meestreed op 28.000 man en hield enkele honderden van hen als krijgsgevangenen.
(5) Massoud genoot een zeker respect bij sommige gematigde Taliban. Niet lang voor zijn dood was bijvoorbeeld commandant Amirgon Kalachai overgelopen van de Taliban naar de NA. Taliban namen in groeiend aantal contact op met de NA.
(6) In Japan zijn de eerste stappen op weg naar de opbouw van een volwaardig leger inmiddels gezet. Het ziet ernaar uit dat de Japanse Grondwet hiertoe aangepast zal worden.
(7) Eigenlijk zou men ook nog eens goed moeten stilstaan bij het opblazen van eeuwenoude Boedha-beelden door de Taliban, in juni 2001. Dit had als gevolg veel stilzwijgende steun en zeker weinig kritiek vanuit Azië op de Amerikaanse aanval.

Bron: Michiel Klinkhamer